Flapoor

Er zijn van die momenten dat ik ons kroost overzie en denk: nou meid – manlief inbegrepen – die opvoeding staat aardig op de rails. Er wordt redelijk fatsoenlijk gegeten. Tweede Zoon trekt ’s ochtends inmiddels zijn eigen broek aan. Ze zeggen tegen de meeste volwassenen u. En spelen kunnen ze als de besten. Gek genoeg duurt al die keurigheid meestal maar kort. Zo ook nu.

‘Geef de pindakaas eens, flapoor’. Enigszins verschrikt kijk ik in de richting van de zender. Oudste Zoon kijkt zelfvoldaan mijn kant op. ‘Geef nou de pindakaas, dombo’. Besluiteloos zweeft mijn hand richting de pot bruine smurrie. Wat moet ik doen? Optreden? Er een grapje van maken? Straf geven? Ik kies voor het grapje. Nu nog wel.

In de week die volgt, wordt het steeds bonter. Wat een grapje leek, wordt brutaliteit. Uit het niets heeft Oudste Zoon besloten zijn kont tegen de krib te gooien. Alles is nee. Vragen worden bevelen. Grapjes kennen geen einde meer. En aanspreektitels als flapoor, domkop, poepescheet en kippekak tieren welig.

Nou ja, helemaal uit het niets komt het eigenlijk niet. Als er iemand met jolige aanspreektitels in het rond strooit, ben ik het wel. Al vanaf de wieg noem ik mijn kinderen liefkozend aapje, kippie, tuinkabouter, drollebol, lekkerding, koeiekop, en – jawel – flapoor.

Ik moet denken aan de woorden van Bert Reinds, die ik onlangs interviewde voor Jente magazine. Hij benadrukte maar weer eens: opvoeden is geen vat vullen, maar een vlam ontsteken. Geen set aan regels erin stampen, maar helpen om dat wat in ze gelegd is tot bloei te laten komen. Geen gemakkelijke opgave, bedenk ik als zoon ook willekeurige voorbijgangers laat meegenieten van zijn creatieve woordgebruik. Een fantastische uitdaging, verzucht ik als we even later een leuk gesprekje hebben over het blij maken van andere mensen.

Ik: ‘Dus zul je goed opletten wat je tegen andere mensen zegt?’ Zoon: ‘Ja, flap…, eh, ja mam.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *