Gebroken

Terwijl we zondagmiddag rond kwart voor drie de donkergrijze lucht bekijken die Oudste Zoon angstwekkend dichtbij vindt komen, gebeurt het. Peuterzoon stuurt z’n loopfiets de verkeerde kant op, valt en grijpt naar z’n linker elleboog terwijl dikke waterlanders over z’n gezichtje stromen. Uit de kom, denken we nog. Vier uur ziekenhuis later komen we thuis met een doodmoe jongetje, zijn arm in blauw gips gestoken. #gebroken

Oudste Zoons zijn uitzinnig. Er worden kleurplaten van een ziekenhuis geprint en gekleurd. De ‘ach’s en ahh’s zijn niet van de lucht. Het gips moet worden aangeraakt. En de stroom vragen raakt maar niet uitgeput. Want hoe moet je eigenlijk slapen met gips? En kun je dan wel in bad? Mag ik z’n arm aan de juf laten zien? Hoe moet ‘ie nu eten? En spelen? En wat als hij vannacht de hele tijd moet huilen? Tweede Zoon bedwingt z’n tranen met moeite: ‘Dan moet ik ook huilen, mam.’

Die nacht slaapt Peuterzoon als een roos. Tweede Zoon daarentegen zit bij elk zuchtje aan de andere kant van de muur rechtop in z’n bed. ‘Luister eens’, proberen we als hij even later tussen ons in ligt. ‘WIJ zorgen voor je broertje. Als hij huilt, gaan wij naar hem toe. Als zijn arm zeer doet, gaan wij hem helpen. Het is heel lief dat je zo bezorgd bent, maar JIJ hoeft maar een ding te doen, en dat is slapen.’ Zoon zucht diep en knikt vervolgens gehoorzaam. ‘Oké mam.’


‘Alsof een arm zo belangrijk is.’ 

De volgende morgen houdt de liefde aan. Er worden geen auto’s afgepakt. Geen plek naast papa of mama opgeëist. Niemand hoeft de eerste of de snelste te zijn. Er is alleen telkens weer die vraag: ‘Lukt het met je arm? Zal ik je helpen?’

Maar dan is daar het einde van de middag. Peuterzoon heeft uren geslapen en is uitgebreid vertroeteld met auto’s in allerlei soorten en maten, die nu netjes uitgestald om hem heen staan. Oudste Zoons weten bij thuiskomst niet wat ze zien. ‘Welke auto mag ik?’, vragen ze telkens weer, terwijl Peuterzoon uit alle macht – en met één hand – zijn nieuwe speelgoed probeert te verdedigen. ‘Geen één’, zeg ik. ‘Je broertje heeft z’n arm gebroken. Jullie niet.’ Tweede Zoon gooit z’n tas door de kamer en kijkt verontwaardigd: ‘Nou, er zit alleen maar een scheur in.’ Oudste Zoon knikt instemmend: ‘Wat is daar nu erg aan. En hij kan toch niet met vijf auto’s tegelijk spelen met één hand.’

Met plaatsvervangende schaamte kijk ik naar onze dappere Peuterzoon. Je arm breken is een ding, de jongste zijn ook. En in combinatie… ehm, daar word je hard van. Zeggen ze.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *