Samen spelen

‘Nee! Waar is mijn haar? Help! Mijn haar is weg.’ Ik barst in snikken uit. Oudste Zoon huilt ook, van het lachen. Het is zondagmiddag en het duplo-poppetje in mijn linkerhand heeft net alle auto’s uit de zelfgebouwde garage voorzien van genoeg brandstof en is net door een van die wagens afgezet bij de kapper. Daar ging het faliekant mis. Ik kijk met een schuin oog op de klok. Nog een half uur om het cadeautje voor de jarige buurjongen in te pakken. ‘Wanneer ga je stoppen met spelen?’, vraagt Zoon die mijn blik blijkbaar heeft gezien. Ik: ‘Straks. Eerst moet mijn haar nog groeien.’

‘Zullen we samen spelen?’ staat in de top drie van meest gestelde vragen in ons huishouden. Het is ook meteen de meest gevreesde vraag. Vaak luidt het antwoord namelijk: nee, daar heb ik geen zin in. Dat zeg ik (meestal) niet hardop. Bang om de teleurstelling over hun hoopvolle snoetjes te zien glijden. Vaak wimpel ik het af met een: ‘Ik moet eerst nog opruimen, jammer hè,’ En: ‘Vanochtend zijn we al op pad geweest, nu gaan jullie zelf spelen.’ Of: ‘Nu ben ik even hier mee bezig, misschien straks.’ En dan volgt die teleurstelling alsnog.

Overigens ben ik echt niet te beroerd af en toe eens mee te doen. Wekelijks spit ik ijverig door de kleine-kraaltjes-bak om felgroen, glow-in-the-dark en oranje-met-glitters te zoeken. Of kleur ik ook een stukje van de nieuwste tekening. En meestal bouwen Peuterzoon en ik als we oudste zoons naar school hebben gebracht een origineel houten spoor voor Koko, de bijbehorende trein.

Maar spelen. Echt spelen als zijnde: vol aandacht met voertuigen, poppetjes of andersoortig speelgoed een verhaal bedenken en uitspelen… Niet alleen het spoor bouwen, maar vervolgens onder leiding van Peuterzoon met Koko naar de denkbeeldige dierentuin rijden om een of ander avontuur te beleven. Of racen over de automat. Diepe zucht. Moet dat écht?

Deze zondagmiddag hebben echtgenoot en ik besloten onszelf voor de leeuwen te gooien. Dus vragen we: ‘Waar hebben jullie zin in?’ Tweede Zoon gaat met papa voetballen en ik bouw dus met Oudste Zoon een garage, waarna hij op z’n liefst vraagt: zullen we nu samen spelen? (Waaruit ik even tussendoor concludeer dat samen een garage bouwen opmerkelijk genoeg niet betekent dat je samen aan het ‘spelen’ bent). En nu staat mijn poppetje daar, zonder haar. Het duurt even voordat Zoon genoeg is uitgelachen om zijn oplossing te presenteren: het haar van de zwart-witte hond wordt afgeschoren en getransplanteerd. ‘Het staat heel mooi’, verzekert hij.

Ik kijk naar de twinkelende oogjes van Oudste Zoon. Het raakt mij dat hij zo geniet van het simpele hijzelf, mama en twee duplo-poppetjes die tegen elkaar praten. Moet ik vaker doen, is het makkelijke cliché. Het wordt een potje discipline, weet ik. Maar de beloning is de moeite waard.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *